counter on tumblr
Nederlands | Deutsch | Français | English




Archeologie

Op 18 november 2010 maakte de gemeente Venlo bekend dat er bij opgravingen op het Kazerneterrein sporen uit de Romeinse tijd waren gevonden. Het betrof een Romeinse weg en sporen van bewoning in de omgeving daarvan. In het gebied langs de Maas, de Raayweiden werden eveneens sporen van de Romeinse weg aangetroffen. Bij de inrichting van de hoogwatergeul is een stuk van deze weg gevisualiseerd. Mogelijk liep in het verlengde hiervan een brug.

De Romeinse sporen uit de 1ste tm 4de eeuw worden in verband gebracht met het Romeinse Blariacum. Tot nu toe was weinig bekend over de vorm en functie van deze nederzetting maar recente vondsten veranderen dit.  Blariacum speelt  een toonaangevende rol in het cultuurhistorische beleid van de gemeente Venlo. De Romeinse sporen worden mogelijk ter plaatse behouden en geconserveerd. Als dit niet mogelijk is vanwege de realisatie van het MFC worden de sporen gedocumenteerd en zo mogelijk opgegraven en bewaard. In het selectieadvies staat over Blariacum het volgende:

Sporen en vondsten uit de Romeinse tijd en vroege middeleeuwen zijn vooral te vinden ter plekke van het beoogde MFC en omgeving, in een smalle strook ten noorden daarvan langs de Venrayseweg en ten westen van het MFC in de zone langs het spoor. Waarschijnlijk betreft het overblijfselen van Romeins ‘Blariacum’. De plaatsnaam is bekend van de Tabula Peutingeriana (een laat-Romeinse wegenkaart), maar het karakter van deze nederzetting is nog immer onbekend. Het kan om een grotere handelsnederzetting (vicus) gaan, maar ook om een klein wegstation (statio) een herberg, een tempelcomplex of een laat Romeinse toren (burgus).

Alle Romeinse vindplaatsen worden als behoudenswaardig ingeschaald. De behoudenswaardigheid is gebaseerd op het aantal sporen en de relatief goede conservering en de eventuele continuïteit naar de vroege middeleeuwen. Momenteel is nog weinig te zeggen over de aard van de vindplaats, hoewel de waarschijnlijkheid groot is dat het zich om een nederzetting (vicus) gaat. Dit wordt bevestigd door de vondst van de Romeinse weg ten westen van de concentratie van de Romeinse sporen. Ook is nog weinig te zeggen over de omvang van de nederzetting. In de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) wordt geconstateerd dat de kennis over vici in Nederland nog zeer fragmentarisch is en dat dit soort vindplaatsen dus extra aandacht verdienen.

Tussen de Romeinse sporen bevond zich ook een belangrijk spoor uit de vroege middeleeuwen. Het betreft een zogenaamde Merovingische hutkom, een kleine werkplaats uit de 5de of 6de eeuw na Chr. Het is derhalve niet uitgesloten dat er continuïteit is tussen de Romeinse tijd en de 5e-6e eeuw. Gezien de aanwezigheid van de Romeinse wegen is het gebied zeker in de  Laat-Romeinse tijd nog in gebruik geweest. Het is waarschijnlijk dat ook de nederzetting tot in de Laat-Romeinse tijd gebruikt is. Mede gezien de merovingische graven die op niet al te grote afstand aan de Antoniuslaan en de voormalige buizenfabriek (Kazernestraat hoek Burg. Gommansstraat) zijn gevonden, is het goed voorstelbaar dat dit gebied aan de Maas continu bewoond geweest is. Er moet rekening mee gehouden worden dat er met name op de MFC-locatie en directe omgeving meer vroeg-middeleeuwse sporen in de ondergrond bewaard zijn.

Voor de Romeinse en vroeg Middeleeuwse vindplaats op en rondom de locatie MFC wordt in principe integraal behoud op locatie (in situ) geadviseerd. Is dat om zeer dringende maatschappelijke redenen niet mogelijk dan wordt onderzoek in twee fasen voorgesteld. In de eerste fase wordt gecombineerd met munitieonderzoek archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hierbij worden alle grondlagen onderzocht voor zover noodzakelijk voor het munitieonderzoek. Het betreft dus in principe 100% van het oppervlak. Deze onderzoeksfase kan nog duidelijker maken wat de Romeinse bewoning inhoudt, wat de contouren ervan zijn en op welke diepte de Romeinse en vroeg middeleeuwse resten veilig bewaard liggen. Op basis van dit onderzoek en de bouwkundige voorwaarden wordt bepaald hoeveel nader onderzoek verder noodzakelijk is. Daarbij staat behoud in situ van de archeologie wederom voorop. Is behoud niet mogelijk dan volgt dus aansluitend gedegen archeologisch onderzoek waarbij voor zover noodzakelijk de archeologische waarden integraal worden gedocumenteerd (behoud ex situ).

Buiten de aangegeven zones worden geen integrale sporen en waarden meer verwacht uit de Romeinse tijd of vroege middeleeuwen en kunnen de gebieden voor die beide perioden worden vrijgegeven.

Bron: Selectieadvies 15 maart 2012, opgesteld door Drs. M. Th.R.M.Dolmans

Reacties: 0


Laat een reactie achter